.
.
.
. . .
.
.
.
.

plaatsingsvoorwaarden opslag voor gevaarlijke vloeistoffen in bovengrondse dubbelwandige houders

Art 5.17.3.1

§1 : Dubbelwandige houders, uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem dienen niet in of boven een inkuiping geplaatst te worden.

§2 : Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning is het verboden opslagplaatsen voor P1- en/of P2-producten in vaste houders aan te leggen in kelders, in bovengrondse lokalen, rechtstreeks onder een gebouw of onder de verticale projectie ervan. Een luifel wordt niet als een gebouw beschouwd.

Art 5.17.3.3

§1 : De controle op de bouw van in serie gebouwde houders mag beperkt worden tot 1 prototypekeuring. Het prototypekeuringsnummer en deskundige van deze keuring wordt vermeld op het attest die bij de factuur van de houder zit.Op een duidelijk zichtbare en goed bereikbare plaats op de houder dient een identificatieplaat te worden aangebracht (door de tankconstructeur)

Art 5.17.3.4

Voor het plaatsen van de vaste houder dient gecontroleerd of de houder en/of de funderingen beantwoorden aan de voorschriften van dit reglement.
Na de plaatsing en voor ingebruikname van de houder, dient gecontroleerd te worden of de houder, de leidingen en de toebehoren voldoen aan de voorschriften van de Vlarem II. Deze controles dienen uitgevoerd te worden onder toezicht van een milieudeskundige of voor de opslag van P3 en/of P4 producten, bestemd voor de verwarming van gebouwen van een erkend technicus.

Art 5.17.3.5

§2 : Nabij de vulopeningen en op een goed zichtbare plaats op de vaste houder worden de volgende aanduidingen aangebracht:

1 : het nummer van de houder (intern volgnummer)
2 : naam van de opgeslagen vloeistof
3 : de gevaarsymbolen
4 : het waterinhoudsvermogen van de houder.

De aanduidingen moeten duidelijk leesbaar zijn. Dit is niet verplicht voor opslagplaatsen van P3 en/of P4 producten die uitsluitend bestemd zijn voor de verwarming van gebouwen.

Art 5.17.3.6

§1 De fundering voor de vaste houders met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 10.000l. Dienen gebouwd te worden volgens een code van goede praktijk onder het toezicht en volgens de richtlijnen van een architect, een burgerlijk ingenieur of een industrieel ingenieur in de bouwkunde. Voor in klasse 1 of 2 ingedeelde opslagplaatsen bevestigt voormelde deskundige in een attest dat hij de aangewende code van goede praktijk aanvaardt en dat deze werd nageleefd.

§2 : Vaste houders dienen op een steunblok of –vlak van voldoende afmetingen geplaatst te worden om te beletten dat de belasting ongelijke inzakking veroorzaakt, waaruit een gevaar voor kanteling of voor breuk zou kunnen ontstaan. Voor een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 50.000 liters wordt een stabiliteitsstudie gemaakt door een milieudeskundige.

Art 5.17.2.3

§1 : de ontluchtingsleiding dient uit te monden in open lucht op ten minste 3m hoogte boven het maaiveld en op minstens 3 meter van elke opening in een lokaal en de grenzen van de percelen van derden. De plaatsing van de monding van ontluchtingspijpen onder constructiegedeelten is verboden. Dit is niet van toepassing voor opslagplaatsen van P3 en/of P4 producten die geen deel uitmaken van een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen. Voor deze opslagplaatsen dient er voor gezorgd dat door de plaatsing en de hoogte waarop de ontluchtingsleidingen uitmonden de buurt niet overdreven gehinderd wordt, meer in het bijzonder ten gevolge van het vullen van de houders.

De controle op de plaatsing van een opslaginstallatie.

Art. 5.17.2.9

Naar aanleiding van de controle bij plaatsing stellen de deskundigen of de erkend technicus een conformiteitsattest op waaruit ondubbelzinnig moet blijken of de houder en de installatie al dan niet voldoen aan de voorschriften van dit reglement. Het conformiteitsattest vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de deskundige of erkend technicus, die het onderzoek heeft uitgevoerd.

Art. 5.17.3.16

§1 Ten minste om de 3 jaar, zonder dat de periode tussen twee opeenvolgende onderzoeken 40 maanden mag overschrijden, moeten de installaties aan een beperkt onderzoek worden onderworpen.

§2 : Ten minste om de 20 jaar moeten de installaties aan een algemeen onderzoek worden onderworpen. Voorafgaand aan dit onderzoek moet de houder inwendig worden gereinigd.

§3 : De periodieke onderzoeken dienen uitgevoerd te worden door een milieudeskundige erkend in de discipline houders of een bevoegd deskundige of voor de opslag van P3- en/of P4 –producten bestemd voor de verwarming van de gebouwen door een erkend technicus.

Art. 5.17.3.17

Naar aanleiding van de controle bij plaatsing en/of de in artikel 5.17.3.16 bedoelde onderzoeken stellen de deskundigen of de erkend technicus een conformiteitsattest op waaruit ondubbelzinnig moet blijken of de houder en de installatie al dan niet voldoen aan de voorschriften van dit reglement. Het conformiteitsattest vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de deskundige of erkend technicus, die het onderzoek heeft uitgevoerd.

belangrijk!

Bewaar voor altijd Uw aankoopfactuur van Uw tank samen met het attest van de tankconstructeur en het certificaat/conformiteitsattest van de milieudeskundige of erkend technicus. (wordt gevraagd door de notaris bij een verkoop of overname van het bedrijf + bij een volgende controle). Indien men later een nieuw exemplaar aanvraagt van een verloren attest : 25 € + 21% BTW administratieve kosten.

.
.
.
. Wijnendale Molenstraat 1A - 8820 Torhout - T 050/22.06.36 - F 050/22.02.08 - info@desplentere.be  |  voorwaarden & privacy  |  links  |  powered by duotix  |  Inloggen .